
Nederland - Conjuncturele ontwikkeling en landenrisico
De periode van economische recessie en stagnatie, die de Nederlandse economie tussen 2001 en 2003 kenmerkte met een gemiddelde groei van 0.5% (de laagste van de afgelopen 20 jaar), lijkt te zijn overwonnen.
In 2004 werd al een lichte opleving geconstateerd, maar de groei bleef tot halverwege 2005 onstabiel. Pas in de tweede helft van dat jaar heeft een daadwerkelijke consolidatie plaatsgevonden, ook al werd de groei nog enigszins geremd door de sterke stijging van de olieprijs en door de sterke euro.
Ondanks de groei van de export, hebben deze beide factoren, mede door het achterblijven van de particuliere consumptie, het resultaat als geheel negatief beïnvloed.
Ontwikkelingen in 2006
Het macroeconomisch beeld lijkt voor 2006 echter onverdeeld positief. De ramingen van de internationale economische instellingen en van het Centraal Planbureau tonen een effectieve economische groei ten opzichte van 2005, vooral dankzij een sterkere groei van de export en het herstel van de particuliere consumptie waaraan de Nederlandse regering in de begroting de nadruk heeft gelegd met koopkrachtmaatregelen voor huishoudens. Ook de ramingen van het IMF bevestigen deze positieve trend, met een geschatte groei van het BNP van 2,6% in 2006 (2,4% OESO; 3,2% CPB) rekening houdend met de verwachte verdere stijging van de energieprijzen.
Deze veelbelovende conjunctuur zou afhangen van een aantal groeifactoren, met name de reeds genoemde particuliere consumptie en de export, die wordt gestimuleerd door een stijgende vraag uit het buitenland en door een afname van de werkloosheid (volgens het IMF en de OESO tot beneden de 5%, terwijl het CPB een voorzichter schatting van 5.5% hanteert).
Volgens het FMI zou in 2006 ook de binnenlandse vraag moeten stijgen met 2,6% (1,5% OESO) dankzij de gunstige ontwikkeling van de vaste bruto investeringen, met een geschatte groei van 4,8%, en van de stijging van de particuliere consumptie.
Hierbij dient echter te worden opgemerkt, dat door invoering van het nieuwe zorgstelsel, vanuit het oogpunt van de nationale rekening, de zorgkosten van particuliere consumptie op overheidsconsumptie overgaan.
Volgens schattingen van het CPB heeft het nieuwe stelsel op macroeconomisch niveau een daling van het particuliere consumptievolume tot gevolg van 3,7% en een stijging van de overheidsconsumptie van 7%, met een negatief eindsaldo van –1,25% CPB. Wanneer echter de cijfers over de particuliere consumptie gecorrigeerd worden voor de invloed van het zorgstelsel, dan laten ze in de eerste helft van 2006 een stijging zien van 2%, mede dankzij de stijging van de koopkracht die zowel voor 2006 als voor 2007 wordt geschat op 1,75% en die de juistheid bevestigt van de door de regering gekozen strategie van vermindering van de belastingdruk voor huishoudens.
De inflatie blijft, volgens het IMF, stabiel op 1,5% (1,7% OESO en 1,25% CPB) dankzij het beleid van loonmatiging in de jaren 2004-2005. Wat de publieke sector betreft vormt de naleving van het Stabiliteits- en Groeipact van de EU-landen een prioriteit van de regering.
De laagconjunctuur van 2003, die voor Nederland overschrijding van de 3%-begrotingsnorm veroorzaakte, dwong de regering begin 2004 tot een extra bezuinigingsronde van 2,9 miljard euro.
Door deze ombuigingsoperatie en de uitgavenbeperkende maatregelen zoals die in de begroting voor 2005 werden vastgelegd, is het tekort met succes teruggebracht tot 0.3% in 2005.
Daarmee heeft de regering aangetoond bereid te zijn tot ingrijpende ingrepen in de overheidsfinanciën, zoals zij overigens ook herhaaldelijk in EU-verband heeft verzekerd. Volgens recente schattingen van het CPB komt het begrotingstekort in 2006 op 0,1% (0,9% IMF en 0,5% OESO); de staatsschuld van Nederland blijft in 2006 ruim onder de 52% van het BNP.
Vooruitzichten voor 2007
De schattingen van de internationale economische instellingen (IMF en OESO) en van het CPB blijven ook voor 2007 optimistisch, ook al gaat het om lagere waarden dan in 2006. De groei van het BNP wordt door het IMF en de OESO geschat op 2,8% (3% CPB).
De binnenlandse vraag en de export blijven de economische groei stimuleren en, dankzij de gunstige ontwikkeling van de werkgelegenheid en de koopkracht, groeit ook in 2007 de particuliere consumptie weer met 2%, door aankoop van veelal duurzame goederen.
De loonkosten zullen licht stijgen maar blijven gematigd, waardoor de inflatie beperkt zal blijven tot 1,5% (CPB). Wat de publieke sector betreft bevestigt de voor 2007 voorziene nulgroei van de begroting een situatie van structureel evenwicht.
Volgens het IMF kan de regering de economische groei een solide basis geven door te blijven letten op de houdbaarheid van de overheidsfinanciën vooral met het oog op de veroudering van de bevolking, het behoud van de financiële stabiliteit en verdergaande structurele hervormingen ter behoud van de werkgelegenheid en van de productiviteit in het algemeen.
In dit opzicht komt uit de begroting voor 2007 duidelijk de intentie van de regering naar voren om meer te investeren in scholing en innovatie, ruimtelijke ontwikkeling en infrastructuur, en tegelijkertijd de belastingdruk voor huishoudens en bedrijven te verlichten, met als doel een aantrekkelijk en concurrerend ondernemingsklimaat te behouden, zowel voor grote bedrijven als voor het MKB.
Onder dezelfde noemer vallen ook de inspanningen van de regering ter verlaging van de lasten en bestuurlijke vereenvoudiging waarbij immers het gehele economisch stelsel gebaat is.
Ramingen 2006
| |
IMF |
OESO |
CPB |
| Groei BNP |
2,6% |
2,4% |
3,25% |
| Inflatie |
1,5% |
1,7% |
1,2% |
| Werkloosheid |
4,8% |
4,1% |
5,5% |
| Begrotingstekort |
0,9% |
0,5% |
0,1% |
| Staatsschuld |
52,6% |
- |
50,2% |
Ramingen 2007
| |
IMF |
OESO |
CPB |
| Groei BNP |
2,8% |
2,8% |
3,00% |
| Inflatie |
1,8% |
1,8% |
1,5% |
| Werkloosheid |
4,3% |
3,4% |
4,5% |
| Begrotingstekort |
0,9% |
0,1% |
0% |
| Staatsschuld |
53% |
- |
47,9% |
Landenrisico
Het landenrisico voor Nederland is bijzonder laag of nietbestaand. Nederland maakt deel uit van de Europese interne markt en van de euro-zone en behoort tot de economisch en sociaal meest ontwikkelde landen ter wereld (in de index 2005 van menselijke ontwikkeling stond Nederland op de negende plaats) met het hoogste inkomen per hoofd van de bevolking (meer dan 31.000 euro in 2005).
Deze gegevens komen terug in de beoordelingen van ratingbureau’s (het Amerikaanse Fitch, geeft Nederland een AAA-rating) en van kredietverzekeringsmaatschappijen (SACE plaatst Nederland in de A-klasse).
Toegankelijkheid voor internationale handel en buitenlandse investeringen Volgens het CBS is de internationale handel van Nederland in 2005 gegroeid ten opzicht van het voorafgaande jaar (export + 10,2%, import + 9,46%).
De Nederlandse handelsbalans vertoont in 2005 een positief saldo ter grootte van ongeveer 31,5 miljard euro (export 281,3 milijard, import 249,8 miljard).
Deze groei benadrukt het belang van de buitenlandse handel voor de Nederlandse economie, aangezien de export goed is voor 56,3% van het BNP en de import voor 49,9%.
Een zelfde ontwikkeling is te zien in de handel van Nederland met de EU-landen, met inbegrip van de 10 nieuwe Lidstaten: de export is met 10,06% gegroeid tot 216 miljard euro, de import is met 7,3% toegenomen tot 138 miljard euro).
Deze gegevens bevestigen het overgrote belang van de handelsbetrekkingen van Nederland met de verschillende EU-Lidstaten. In 2005 was 54% van de Nederlandse import afkomstig uit deze landen, terwijl 76,8% van de uitvoer bestemd was voor EU-markten.
Het resultaat was een voor Nederland bijzonder positieve handelsbalans met een saldo van 78 miljard euro. De belangrijkste handelspartner is nog steeds Duitsland, goed voor een Nederlandse exportwaarde van 66 miljard euro (+9,9%) en een import in Nederland ter waarde van 47,5 miljard (+6%).
Een positieve ontwikkeling is ook te zien in de handel met het Amerikaanse (+ 15,2% uitvoer, +13,1% invoer) en het Aziatische (+ 9,5% uitvoer, +11,2% invoer) continent; in cijfers uitgedrukt is de balans voor Nederland echter ongunstig: de invoer vanuit Amerika bedroeg 29,9 miljard euro tegenover een uitvoerwaarde van 18,5 miljard, en de invoer vanuit Azië bedroeg 56,5 miljard euro tegenover een uitvoerwaarde van slechts 20,1 miljard.
Hierbij moet echter ook rekening worden gehouden met de invloed van het zogenoemde “first round Rotterdam”-effect.
De haven van Rotterdam is immers een van de belangrijkste punten van binnenkomst in de EU van goederen afkomstig uit derde landen; deze goederen worden bij binnenkomst in Nederland uitgeklaard zonder dat daarbij onderscheid wordt gemaakt naar “origine” en “afkomst” en hun verdere doorvoer naar andere Europese landen wordt door het CBS gerekend tot “uitvoer uit Nederland”.
Volgens schattingen van de Nederlandse overheid ten aanzien van producten die via Nederland wederuitgevoerd worden zonder enige bewerking te ondergaan vertegenwoordigden deze in 2005 een bedrag van 125,5 miljard euro, goed voor 44,6% van de totale Nederlandse exportwaarde.
Andersom bedroeg de waarde van producten die via Nederland werden doorgevoerd en niet bestemd waren voor Nederlandse afnemers in 2005 ongeveer 112 miljard euro (44,8% van de Nederlandse import).
De Nederlandse export gecorrigeerd voor de wederuitvoer zou in 2005 155.626 miljoen hebben bedragen.
De voorlopige cijfers voor de Nederlandse internationale handel voor de eerste helft van 2006 wijzen op een groei van de uitvoer van 15,4% en een toename van de invoer van 16,7% ten opzichte van dezelfde periode in 2005.
Wat betreft de handel met EU-landen is de export toegenomen met 14,18% en de import met 14,17%. De belangrijkste Nederlandse uitvoerproducten in 2005 waren producten uit voedingsindustrie, de chemische sector, olieproducten, machinerie, vervoermiddelen, en electronica.
De belangrijkste invoer in Nederland besloeg in 2005 chemische producten, olie en olie-derivaten en aardgas, kantoorapparatuur en computers, electronica en telecommunicatie-apparatuur.
Voor wat betreft de buitenlandse directe investeringen heeft Nederland de afgelopen jaren haar internationale positie versterkt als investeerder en als doel van buitenlandse investeringen door economisch geavanceerde landen.
Volgens gegevens van de Nederlandse Bank bedroegen de buitenlandse investeringen in Nederland in 2005 35.604 miljoen euro (ten opzichte van slechts 356 miljoen in 2004), waarvan 29.500 (84%) afkomstig uit de EU (VK, Frankrijk).
In de eerste helft van 2006 is deze positieve investeringstendens enigszins afgezwakt.
Een zeer belangrijk gegeven is echter de groei, in absolute cijfers, van de Nederlandse investeringen in het buitenland, die in 2005 97,162 miljoen euro bedroegen (de hoogste waarde sinds 1982).
Het grootste deel van deze investeringen (89%) is gedaan in EU-landen, vooral het VK 81.215 miljoen euro), Spanje (5,6 miljard) en Italië (2,8 miljard). De directe investeringen in Rusland bedroegen 2.435 miljoen, in de VS 1.422 miljoen en in Azië 3.602 miljoen.
De buitenlandse investeringen in Nederland bedroegen in 2005 407.946 miljoen euro; belangrijkste investeerder waren de Verenigde Staten (18,46% van het totaal). In 2005 was een groter deel van de Nederlandse directe investeringen bestemd voor EU-landen (71% van het totaal).
De Nederlandse sectoren waarin de meeste buitenlandse investeringen zijn gedaan zijn de IT, chemie, medische apparatuur, electronica, telecommunicatie en biomedisch onderzoek.
De aantrekkelijkheid van Nederland voor buitenlandse investeerders is gelegen in de volgende factoren: - strategische positionering in Europa, in combinatie met een goede toegankelijkheid en een uitstekende infrastructuur, vooral op logistiek en technologisch gebied; uitstekend handelsklimaat waarin Nederlandse en buitenlandse ondernemers fiscaal volkomen gelijk behandeld worden; hoog kapitaal-intensieve productiefaciliteiten en beschikbaarheid van voor productassemblage geschikte faciliteiten; een menselijk kapitaal dat gekenmerkt wordt door hoge specialisatie, veeltaligheid en flexibiliteit.
In 2005 is Nederland vooral aantrekkelijk gebleken als vestigingsplaats voor Europese holdings (distributiecentra, call centers e.d.).
De investeringen zijn vooral gedaan in de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland, Limburg en Noord-Brabant.
Wettelijke aantekeningen
|
credits | F.A.Q.